Centrum voor Zelfbezinning - Werkplaats voor welzijn

Drie goden

 

´De goden die wij kennen zijn projecties van onze eigen fantasie, van ons eigen bewustzijn,
ons eigen diepe wezen. Ze zijn ons evenbeeld, zou je kunnen zeggen.  ……’

 

  Uit: ´Volg de stem van je hart. Mythologie als bron voor persoonlijke groei´ van Joseph Campbell

´De aarde werd geschapen door drie goden. Een taakverdeling ontbrak´ zo gaat het verhaal.
Vraag is: Hoe kregen zij dat voor elkaar ?
De eerste god sprak: ´Ik ben begonnen met het Woord. In den beginne immers was het Woord.
Niets is geworden zonder het Woord en ik was en had het hoogste Woord´.
De tweede god vermeldde dat hij direct in actie was gekomen. Geen woorden maar daden.
In den beginne immers schiep hij de hemel en aarde. Bracht orde in de chaos, scheidde licht van duisternis, de wateren van aarde.

De twee goden bedwongen hun neiging om te twisten over de vraag wie het belangrijkste werk had verricht en welke aanpak het meest effectief. Zij keken eerst in de richting van de derde god, pardon, godin. Had zij nog wat toe te voegen aan hun arbeid, vroegen zij zich hooghartig af ?

De godin zei : ´Ik ben begonnen met wat ogenschijnlijk niets, leegte was.
Ik creëerde de ruimte waarin de aarde geschapen werd en stilte, waarin het woord klinken kon’.
Zij keek de goden glimlachend aan en begon te dansen.

Beide goden vielen stil en bogen het hoofd. Toen zij opkeken was de godin verdwenen.
Dat was geen reden voor verdriet. In de ruimte danste een zonnestraal.
Voortaan wisten zich in liefde verbonden met haar en met elkaar.

Zo, gaat mijn verhaal.
Ik schep goden voor mijn noden en verhalen om in te wonen.
De godin heb ik nog niet zo lang geleden ontdekt.
Zij treedt niet op de voorgrond. Is overal aanwezig, liefdevol krachtig en kwetsbaar.
Zij is als de ruimte in het centrum van het wiel; alles draait om haar.
Zij brengt vrede, is liefde die omvat, verbindt.
Zij is warmte, ruimte en licht. Een dansende zonnestraal.
Haar aanbidden is een overgave aan het leven, aan wat is zoals het is.
Die godin zij is de vrouw in mij.
Het is vrede in mij.
Vrede zei met jou en mij.

Ron

29-9-2017

 

 

 

 

Uit de tijd

Vandaag ben je 98 jaar geleden geboren. We zouden zeker naar je toegekomen zijn op je verjaardag.

“Geen drukte” zou je zeggen. Maar koffie met gebak dat zou nog kunnen. Je zou het zelfs vervelend vinden als er niet een paar van je kinderen en kleinkinderen waren gekomen. Maar allemaal …

We zijn inmiddels met 42 zonder jou en ma erbij.

God wat zou ik je graag nog eens het tuinpad op zien lopen, gewoon voor een samenspraak bij een kopje thee. Ik mis je aanwezigheid. Je had daarna best weer mogen vertrekken. Ik geloof niet dat je er gelukkig mee zou zijn in deze tijd te leven. De snelheid van verandering en informatiestromen,

de boycot van Rusland op jouw groenten, fruit en bloemen, geen plaats meer voor jouw handelsgeest waarin je elkaar werkelijk ontmoeten kon.

Alhoewel, heb je gezien dat ik sterappeltjes had op de moestuin, deze zomer? Had je die niet samen met mij willen plukken, voelen, ruiken en eten? Ik zal nooit vergeten hoe jij je zakmes uit je rechterbroekzak zittend te voorschijn toverde. Op 1 bil leunend, het lijf overhellend en je rechterbeen vooruit strekkend. Zo kon jouw onafscheidelijke vlijmscherp zakmes opgevist worden. Heel precies en vaardig zou je het appeltje geschild hebben, liefst tot 1 lange sliert.

En dan zou je met mij de  partjes delen en samen de smaak met mij al proevend woorden geven, wijzend op de vruchtdragende rode appelboom. Je zou een ode aan de boom brengen, de stam, haar takkengestel, gezondheid  in geuren en kleuren beschrijven. En daarna ….dan zouden de  verhandelingen  komen over andere rassen, de vroege en de late appels. En dan…..zou je mij,

 in de moestuin,  hebben gewezen op de luchten, kijk!

Nu kijk ik, proef ik de appel zonder jou. Mijn gedachten dwalen af naar onze eigen stamboom, waarvan jij de stamhouder bent met inmiddels enorme vertakkingen. En ik sta even stil bij  mijn eigen tak waar geen  nieuwe loot meer te verwachten is. Ik draag geen vrucht meer in mijn schoot.

En ook: nu zie ik pas hoe jij als mensenkind je weg vervolgde in dit leven van wakker zijn en nog ontwaken. En ook … mijn vader was.

Ik heb je lief mijn vadertje nog elke dag. Ik feliciteer mijzelf vandaag, dat ik je kind mocht zijn en blijven zal.

                                                                                                                                                HvS  1-11-2014

Novembermist

Mist streelt me met kille vingers. 

Vergeefse moeite, ik houd niet van koele minnaars.

Het is koud en mijn lijf trekt zich terug in zijn cellen.

Wazig rode achterlichten van auto’s, gedempte geluiden. 

Kraag op, handen in de zakken.

De winter sluipt stilletjes naderbij.                                                                            

                                                                                                                                                 MB 11.2014

Levenstuinen

 

wintertuinen

Op het parkeerveld van de Levenstuinen staan twee eenzame auto’s; het is het laatste weekend van dit seizoen en de poort gaat morgenavond weer voor een half jaar dicht.

Een zonnige dag met hoge sluierbewolking, herfstgeschenk van een milde weergod.

Bij de toiletten tref ik een bruidje; ja, ook dat moet gebeuren op zo’n dag… Ze ziet er prachtig uit en ik roep spontaan: “Waauw, wat een mooie jurk!” Ze lacht van oor tot oor. Verder geen bezoeker te zien. Een bejaarde vrijwilligster schenkt me thee. “De koekjes zijn op”, zegt ze. Maar ook zonder koekjes is het genieten op het terras in de zon; even de autorit laten zakken en de drukte achter me laten.Dan de tuin in; de herfst is ingezet, geknisper van dorre bladeren onder mijn sandalen.

Acceptatie van de jaarcyclus, vermengd met afscheid: er zijn al planten gerooid.

Maar ook een groet van de natuur, de bladeren zijn stemmig geel en rood en de pompoenen

liggen dikbuikig kleurrijk te zijn.

Het leven is goed, er is een tevreden rust in mij. Op een bank in de zon ga ik even zitten.

“Even” wordt een kwartier, of is het langer? Tijd is een fictie. Soms verbreekt een vliegtuigje de serene stilte. Het ruikt naar rijpe appel; de pauwen komen nieuwsgierig kijken of ik iets eetbaars in de aanbieding heb. Ook van hen geen geluid, hun karakteristieke “gemauw” ontbreekt.

Ik tuur over de golvende grasvlakte naar het coulissenlandschap in de verte.

Op het terras achter me hoor ik het zachte geruis van stemmen.

Het is goed zoals het is. De natuur is in balans en ik ook.

Mijn boek is in mijn rugzak gebleven. De titel is “Stil”.                                                               

                                                                                                                                                MB 18-10-2014

Jongensdroom

Hij wilde de baas zijn van een pretpark

samen met zijn vriendje Huib.

Dan mocht je in alle attracties.

Dan hoefde je geen kaartje te kopen.

Dan was alles gratis.

Maar in de achtbaan van zijn leven

is niets om niet

en wordt alles duur betaald.


Alleen zijn dromen vliegen vrij

als een vogel in de lentelucht.

                                                                                                                        WJ 1-11-2014

Waaiwapperende Gedachten

De sneeuw in het grote bomenbos was er eerder dan ik. Maar ik was er toen de lente maar niet wilde komen, ik was er zelfs eerder dan de zomer die zolang bleef dat hij me bijna had ingehaald. Ik ben er nu de bomen buigen voor de wind en hun blaadjes laten vallen zodat er niks meer te waaiwapperen valt. Ik zal er nog steeds zijn als de winter komt, ik zal hem begroeten, ik zal in zijn sneeuw lopen, ik zal hem vervloeken als hij een venijnige oostenwind laat waaien.

De beelden van het Haarlemhuis beginnen te vervagen. Ik heb de laatste zeezoute zandkorrels in mijn schoenen naar de Korte Duinen gebracht waar ze de Soester zandkorrels vertellen over Haarlemse muggen, Hannie Schaft en alle verhalen die ik in de Kennemmer duinen heb gevonden.
Wat niet vervaagt, zijn gedachten over de mensen die niet met mij mee wilden reizen toen ik mijn droom aan de voet van bomen te kunnen wonen, achterna ben gegaan.

Kunnen zij niet over de schaduw van hun eigen onvervulde dromen heenstappen om met mij van de mijne te genieten? Paste mijn droom niet in hun beeld van mij? Moest ik degene blijven die zij van mij hadden gemaakt, naadloos aansluitend bij hun eigen behoeften?
Buiten leunen de bomen in de wind en buigen nederig voor zijn kracht. Ik buig voor de onverwachte wendingen van het leven en vraag wijsheid om te kunnen aanvaarden wat ik moet aanvaarden. Ik zoek woorden om te vertellen dat ik gelukkig ben terwijl ik verdriet heb, verdrietig ben terwijl ik geluk heb. Woorden om pijn te verbinden met schoonheid, de schoonheid om me heen en binnen in me. Al die woorden leg ik bij het hoopje zandkorrels, misschien dat er eentje de weg terug naar Haarlem kan vinden om te vertellen dat het me goed gaat.
Het gaat me goed.

                                                                                                            Marianne Eerdmans, najaar 2013

Binnen en Buiten – een Fotoverhaal

Hij ligt op zijn rug. Het is vroeg in de ochtend en het licht strijkt bleek over zijn borsthaar, de welving van zijn buik, de navel. Ze leunt op haar elleboog en vraagt zich af wat de buik haar zegt.
Ooit had ze op een hond gepast. Als ze de voordeur achter zich dicht deed, liep Zuri haar kwispelend tegemoet. Zodra ze haar hand uitstak om hem te aaien, rolde hij om en toonde haar zijn kwetsbare buik. Overgave.
Ze ligt naast de man die plotseling in haar leven is opgedoken. Elk vanuit hun eigen bestaan zijn ze de lange reis begonnen om van twee levens één te maken. Een reis naar dit moment, hij op zijn rug, de ogen gesloten, rustig ademend. Haar hand rust licht op zijn buik, niet wetend welke weg ze hem wil laten gaan.
Ze duwt haar wijsvinger in de navel en mijmert over wat aan deze dag is voorafgegaan. De ontmoeting, de gesprekken, de aantrekkingskracht, het terugtrekken, de onverwachte vervreemding van het oude leven, het gevoel van onvermijdelijkheid. Met deze man in bed liggen, is thuiskomen. Zo dicht tegen elkaar aan dat ze niet weet waar hij ophoudt en zij begint.
Als. Als hij het niet koud heeft en zij warm en ze moeten kibbelen over hoe hoog de thermostaat moet staan. Als zij maar geen komkommer en pasta wil eten terwijl hij daarvan griezelt. Als zij niet haar kleren in de slaapkamer zou laten slingeren en hij ze steeds achter haar kont op moet ruimen.
Dan nog verdwijnen ze in elkaar.
Nu is het ochtend. Ze voelt dat afstand moeilijker is dan nabijheid. Als ze naar de slapende man kijkt, kan ze alleen haar hand een brug laten slaan.
Want. Het grijze ochtendlicht houdt haar ogen buiten, ze ziet geen contouren, ze voelt alleen maar hoe de buik weerloos bleek ademt onder haar hand en haar vertelt over kwetsbaarheid en overgave. Als ze rechtop gaat zitten, trekt de navel haar aandacht naar binnen. Daar vermoedt ze kracht, tederheid en passie.
Buiten en binnen.
Kwetsbaarheid en kracht.
Wat hij laat zien.
Wat zij wil aanvaarden.

                                                                                Marianne Eerdmans, najaar 2013           

Het bos

Daar is ze weer.

Elk jaar komt ze enthousiast ons pad op,

we voelen haar gretige voetstappen.

Ze kijkt, ademt in, snuift, zucht, geniet.

Ze knielt bij een mosje, bestudeert een onbekende bloem,

volgt met haar ogen onze stam

tot in de kruin en de wolken erboven.

Wij ontvangen haar gastvrij.

En soms ook met een zekere afstand,

want een mens is tenslotte een mens en een bos een bos.

Toch zijn we vrienden, zij en wij.

We ademen dezelfde lucht in,

een lucht die ons leven geeft en die ons verbindt.

                                                                                                                                      

                                                                                                            MB 10-2013

Ode aan vergeten buur

Er was een erudiete man met een hoog alcoholpercentage alle dagen in zijn bloed.

In het bezit van een krullig hondje waar hij onderweg tot sprak in gebiedende wijs.
Op een dag stond precies voor zijn buurvrouw’s huis een lijkwagen, de achterdeuren

geopend precies voor zijn deur. Het kon niet missen en dat was ook zo.

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                         Heleen van Soest, 10-2012

4711

Zij had o-benen
er kon een varkentje tussendoor springen
Haar in pumps gevatte schoenen altijd kruiselings over elkaar
onafscheidelijk zat ze daar met haar wonderwater
kölnisch wasser, 4711

Zwijgend bracht zij doof de dagen door
levende Boeddha van mijn jeugd
zij was altijd daar waar je haar verwachtte: thuis
trouw als  kölnisch wasser
wachtend op haar kroost

                                                                                                              

                                                                                                            Heleen van Soest, najaar 2012

Observatiehut

Er was een observatiehut, een nazomerdag, een man en een vrouw. Zij keken niet uit naar vogels of ander gespuis. Zij beschouwden lachend en verlegen de liefde. Het was er een die komen zou.

Zij keken zonder kijkertje ver weg in de toekomst.

Er was een man die de vrouw vroeg, hoe leg ik het aan? Hoe wil een vrouw dat? En de vrouw vroeg de man hoe zou je, als je durfde, het doen? De hut observeerde hun rollenspel waarvan zij hem deden schuddebuiken en deed er het zwijgen toe.

Er was een man, diezelfde ja, die droomde  's nachts onmiddellijk van zijn overdag gedroomde liefdesleven. Er was dans van zijn gedroomde vrouw en dansen met haar was een eitje, een peulenschil. Er was en is geen verslag van zijn ontwaken, behalve dan klanken van onmetelijke vrijheid.

                                                                                                            Heleen van Soest, 18-09-2012

Rondeel:

Dan leef ik nog echt.

Met geloof in mijn eigen wezen.

Verbinding met mijzelf en de ander.

Dan leef ik nog echt

Vanwaar toch die behoefte?

Gewoon aangeboren.....

Dan leef ik nog echt.

Met geloof in mijn eigen wezen. 

                                                                                                            Arlette, 12-2015

 

Te weinig of teveel

 

Er is altijd voldoende

zoeken naar het evenwicht

kerststukken op tafel

er is altijd voldoende

versieren, niet te veel

heerlijk opruimen

er is altijd voldoende

zoeken naar het evenwicht

                                                                                                            Clara van Heel, 12-2015